Herhaling rijden zonder verzekering: wat riskeert u echt?
Wie voor de tweede keer wordt betrapt op rijden zonder verzekering, krijgt vaak te horen dat er nu een gevangenisstraf dreigt. Dat is niet wat de wet zegt, of toch niet zonder meer. De werkelijke gevolgen van herhaling liggen elders, en zij zijn zwaar genoeg: een verplicht rijverbod van minstens drie maanden en vier examens en onderzoeken die u moet doorstaan vooraleer u uw rijbewijs terugkrijgt.
In dit artikel zetten wij uiteen wat artikel 22, § 1 van de WAM-wet precies bestraft, waarom er voor een eerste feit geen gevangenisstraf mogelijk is, welke twee verschillende herhalingstermijnen naast elkaar lopen, en hoe het zit met die veelbesproken vrijheidsstraf. Wij doen dat vanuit de dagelijkse praktijk van ons kantoor voor de politierechtbank. LawBase heeft vestigingen in Brugge, Antwerpen, Gent, Tongeren, Sint-Niklaas en Leuven.
De basis: artikel 22, § 1 van de WAM-wet
Rijden zonder een geldige verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid is strafbaar gesteld door artikel 22, § 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De wettekst straft de eigenaar of de houder die het motorrijtuig in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht zonder dat de aansprakelijkheid gedekt is, alsook de bestuurder ervan.
Eén nuance in die bepaling wordt vaak vergeten en kan doorslaggevend zijn. Het tweede lid bepaalt dat de houder en de bestuurder alleen strafbaar zijn **als zij weten** dat de aansprakelijkheid niet gedekt is. Voor hen is er dus wel degelijk een kenniselement vereist. Voor de eigenaar geldt die voorwaarde niet. Wie te goeder trouw met de wagen van een ander rijdt en niet wist dat de polis was vervallen, heeft daarmee een reëel verweer.
Waarom er bij een eerste feit geen gevangenisstraf mogelijk is
De wettekst van 1989 klinkt streng: gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en geldboete van 100 tot 1.000 euro, of een van die straffen alleen. Die formulering is sinds 1 september 2026 echter niet meer rechtstreeks toepasbaar.
De WAM-wet is namelijk **niet** mee omgezet naar het systeem van de strafniveaus. Anders dan de Wegverkeerswet, die door de wet van 25 mei 2026 werd geharmoniseerd, en anders dan de Drugswet, behield de WAM-wet haar eigen strafvork. Voor zulke bijzondere strafwetten geldt de omzettingsregel van artikel 78 van het Strafwetboek.
Artikel 78, § 1, eerste lid, 8° bepaalt dat een hoofdstraf met een maximum van acht dagen tot ten hoogste twaalf maanden gevangenisstraf moet worden gelezen als een **straf van niveau 1**. Het maximum van zes maanden uit artikel 22 WAM valt daaronder. En op niveau 1 staat, krachtens artikel 36 van het Strafwetboek, geen gevangenisstraf. Wat overblijft is een geldboete, een werkstraf van 20 tot 120 uur, een probatiestraf van zes tot twaalf maanden, een verbeurdverklaring of een veroordeling bij schuldigverklaring.
Voor een eerste feit is een vrijheidsstraf dus uitgesloten, hoe de wettekst van 1989 op zichzelf ook nog leest.
Het bedrag: 1.000 tot 10.000 euro
Het basisbedrag van 100 tot 1.000 euro is niet het bedrag dat u betaalt. Artikel 78, § 1, tweede lid bepaalt dat het bedrag uit de bijzondere strafwet wordt vermenigvuldigd **met 10** wanneer de geldboete een hoofdstraf is. Zo komt u uit op een vork van **1.000 tot 10.000 euro**. Gaat het om een geldboete als bijkomende straf, dan geldt artikel 78, § 2 en bedraagt de factor 8.
Let op wat hier níet gebeurt. De 2,5 opdeciemen, oftewel de factor 1,25, gelden voor het Strafwetboek zelf en voor de bijzondere wetten die op 1 september 2026 mee zijn omgezet. Zij komen niet nog eens bovenop het resultaat van artikel 78. Wie dat toch doet, komt een kwart te hoog uit. De precieze werking van die rekenregels en het belang van de datum van de feiten leggen wij uit in ons artikel over de datum van de feiten en het boetebedrag.
Voor feiten gepleegd tussen 1 februari en 31 augustus 2026 komt u overigens op hetzelfde bedrag uit, langs de opdeciemen van de wet van 5 maart 1952, die toen op factor 10 stonden.
Wat er bij een eerste feit nog bij komt
Naast de geldboete beschikt de rechter over bijkomende mogelijkheden, en de politie over enkele onmiddellijke bevoegdheden.
Artikel 24, 1° van de WAM-wet bepaalt dat de rechtbanken een verval van het recht tot sturen **kunnen** uitspreken, voorgoed of voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Bij een eerste feit is dat dus facultatief. Artikel 24, 2° laat bovendien de verbeurdverklaring van het voertuig toe, onverminderd de rechten van de benadeelden en van de rechtmatige eigenaar.
Artikel 20 geeft elke officier van gerechtelijke politie en elke bevoegde ambtenaar de bevoegdheid om het rijtuig te immobiliseren of beslag te leggen op het rijtuig of op de kentekenplaten, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de aansprakelijkheid niet gedekt is. Dat gebeurt ter plaatse, los van enige veroordeling.
Ten slotte komt bij elke veroordeling de verplichte bijdrage van 250 euro aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, naast de gerechtskosten.
Herhaling: twee termijnen die naast elkaar lopen
Hier ontstaat de meeste verwarring, want er zijn twee verschillende herhalingstermijnen van toepassing, met elk een eigen gevolg.
**De termijn van drie jaar — artikel 38, § 6 van de Wegverkeerswet.** Die bepaling somt limitatief een reeks overtredingen op, en artikel 22 van de WAM-wet staat daar uitdrukkelijk bij. De termijn loopt vanaf de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
**De termijn van vijf jaar — artikel 60 van het Strafwetboek.** Dat is het algemene herhalingsregime. Het speelt wanneer op het ogenblik van het plegen van het nieuwe misdrijf nog geen vijf jaren verlopen waren sinds een vorige veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. Die termijn wordt verlengd met de tijd waarin een gevangenisstraf of een behandeling onder vrijheidsberoving werd uitgevoerd, behalve onder elektronisch toezicht en tijdens de voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.
Beide termijnen bestaan naast elkaar. Wie binnen drie jaar hervalt, valt onder beide. Wie na drie maar binnen vijf jaar hervalt, ontsnapt aan het verplichte verval van artikel 38, § 6, maar niet aan de mogelijke verhoging van het strafniveau uit artikel 60. Meer over hoe de politierechtbank daar in de praktijk mee omgaat, leest u in ons artikel over de strafmaat bij herhaling en in ons stuk over de eerste versus de tweede recidive.
Wat wél is verdwenen: de algemene verdubbeling van de geldboete bij herhaling. Artikel 29, § 4 en artikel 39 van de Wegverkeerswet zijn sinds 1 september 2026 opgeheven. Verdubbeling bestaat enkel nog waar een artikel het zelf bepaalt, zoals bij alcohol en drugs, en dat is bij de WAM-wet niet het geval.
Het echte risico bij herhaling: verplicht verval en vier examens
Dit is het onderdeel dat in de praktijk het zwaarst weegt, en het wordt zelden goed uitgelegd.
Artikel 38, § 6 van de Wegverkeerswet laat de rechter geen keuze. Wie binnen drie jaar opnieuw een van de daar opgesomde bepalingen overtreedt — artikel 22 WAM inbegrepen — krijgt verplicht een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van **ten minste drie maanden**. Bovendien moet de rechter het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de **vier examens en onderzoeken** van artikel 38, § 3: het theoretisch examen, het praktisch examen, het geneeskundig onderzoek en het psychologisch onderzoek.
Bij een nieuwe herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin die regel al werd toegepast, loopt het minimum op tot **zes maanden**. Bij nog een volgende herhaling tot **negen maanden**. Telkens opnieuw met de vier examens en onderzoeken.
De enige uitzondering staat in artikel 38, § 7: de rechter is niet verplicht wanneer de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring, of door een voetganger.
In dossiers die wij behandelen, is dit vrijwel altijd het pijnpunt. Een geldboete kunt u gespreid betalen. Een psychologisch onderzoek dat u niet doorstaat, betekent dat u zonder rijbewijs blijft, met alle gevolgen voor uw werk. Wie tegen zo een beslissing wil opkomen, leest best ons artikel over de procedure in hoger beroep tegen een rijverbod.
Kan er dan tóch een gevangenisstraf volgen?
Dit is de vraag waarop veel artikelen te stellig antwoorden, in beide richtingen. Het eerlijke antwoord is dat het punt betwist is.
Het argument vóór. Artikel 60 van het Strafwetboek bepaalt dat de straf bij herhaling kan worden verhoogd naar het onmiddellijk hogere niveau, en dat geldt uitdrukkelijk ook voor misdrijven van niveau 1. Niveau 2 omvat wél een gevangenisstraf, van zes maanden tot drie jaar. Wie die redenering volgt, komt uit bij een theoretisch mogelijke vrijheidsstraf.
Het argument tegen. Artikel 78, § 6 van het Strafwetboek bevat een noodremregel: bij de keuze van de straf en de strafmaat binnen het door de omzetting verkregen strafniveau legt de rechter **geen zwaardere straf op dan die welke de bijzondere strafwet zelf bepaalt**. De WAM-wet gaat niet verder dan zes maanden gevangenisstraf. Zelfs wie aanvaardt dat artikel 60 het niveau optrekt, botst dus op dat plafond: meer dan zes maanden kan hoe dan ook niet, en de minimumstraf van niveau 2 bedraagt precies zes maanden. Bovendien kan men verdedigen dat de wetgever, door artikel 22 WAM via artikel 78 op niveau 1 te plaatsen, de vrijheidsstraf voor dit misdrijf bewust heeft willen uitsluiten, en dat een omweg via artikel 60 die keuze niet mag doorkruisen.
De tekst van artikel 78, § 6 verwijst naar het niveau dat door de toepassing van dát artikel is verkregen, en niet naar het niveau na een verhoging wegens herhaling. Daarop steunt het tegenargument, en daar knelt het. Zolang de rechtspraak zich hierover niet heeft uitgesproken, is dit een discussiepunt en geen zekerheid.
Wat betekent dat concreet? Verwacht geen gevangenisstraf, maar reken er evenmin op dat het openbaar ministerie de vordering niet zal stellen. Wordt zij gesteld, dan is artikel 78, § 6 uw eerste verweer, en de motiveringsplicht uw tweede.
Wat de rechter hoe dan ook moet afwegen
Ook wie de ruimste lezing volgt, komt uit bij artikel 27 van het Strafwetboek. Die bepaling maakt van de gevangenisstraf **de laatst te overwegen straf**, die slechts kan worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet met een andere straf of maatregel kunnen worden bereikt.
Meer nog: acht de rechter een straf van niveau 2 gepast en kiest hij daarbinnen voor de gevangenis, dan moet hij uitdrukkelijk motiveren waarom de andere straffen van dat niveau — het elektronisch toezicht van één maand tot één jaar, de werkstraf van meer dan 120 tot 300 uur, de probatiestraf — niet volstaan. Die motiveringsplicht is geen formaliteit maar een reëel aanknopingspunt voor de verdediging.
Feiten van vóór 1 september 2026
Is uw dossier ouder, dan geldt artikel 2, derde lid van het Strafwetboek: bij wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader **meest gunstige** bepalingen.
De vergelijking gebeurt niet cijfer per cijfer maar op het geheel van de toepasselijke bepalingen. Voor de geldboete verandert er in de praktijk weinig, omdat de bedragen op hetzelfde niveau uitkomen. Voor de vrijheidsstraf kan het oude recht net gunstiger uitvallen, precies omdat de discussie over artikel 60 zich daar niet stelde. Hoe die oefening wordt gemaakt, werken wij uit in ons artikel over de mildste strafwet.
Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds: let op wie wordt aangesproken
De strafzaak is maar de helft van het verhaal. Veroorzaakt u met een onverzekerd voertuig een ongeval, dan komt het Gemeenschappelijk Waarborgfonds tussen, in de volksmond nog vaak het Motorwaarborgfonds genoemd. Het is ingesteld door artikel 19bis-2 van de WAM-wet en vergoedt de benadeelden krachtens artikel 19bis-11, § 1, 8° wanneer geen enkele verzekeraar daartoe gehouden is omdat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd.
Daarna volgt het verhaal, en de wet is daarover preciezer dan vaak wordt aangenomen. Artikel 19bis-14, § 5 geeft het Fonds in dat geval, ten belope van het bedrag van de vergoeding, een recht op verhaal **tegen de eigenaar van het motorrijtuig** en eventueel tegen diens verzekeraar. Niet, in beginsel, tegen de bestuurder. Wie met de onverzekerde wagen van een ander rijdt, brengt dus vooral de eigenaar in de problemen. De eigenaar heeft van zijn kant geen enkel recht om het bedrag van de schadevergoeding terug te vorderen. Werden het ongeval en de schade opzettelijk veroorzaakt, dan geldt de algemene regel van artikel 19bis-14, § 1 opnieuw en treedt het Fonds in de rechten van de benadeelde tegen alle aansprakelijke personen.
Die bedragen kunnen bij zware letselschade tot honderdduizenden euro's oplopen en werken jaren door. In de meeste dossiers weegt dit zwaarder dan de strafrechtelijke sanctie.
Wat u concreet doet
Kijk eerst de datum van de feiten na en die van uw eventuele vorige veroordeling, en let daarbij op de dag waarop dat vonnis in kracht van gewijsde ging. Dat ene gegeven bepaalt of u binnen de drie jaar van artikel 38, § 6 valt, en dus of het verval verplicht wordt.
Ga vervolgens na of het kenniselement van artikel 22, tweede lid speelt. Was u bestuurder of houder, en wist u werkelijk dat de polis niet in orde was? Verzamel wat dat kan staven: correspondentie met de verzekeraar, betalingsbewijzen, de datum waarop u de wagen overnam.
Bereid ten slotte de straftoemeting voor. Bewijs van regularisatie, van uw inkomen en van uw gezinssituatie is relevant, zowel voor artikel 52, § 2 van het Strafwetboek als voor de keuze tussen de straffen van niveau 2. Hoe u een geldboete kunt laten verlagen op grond van uw draagkracht, leest u in ons artikel over het verlagen van een geldboete. Meer over de procedures bij herhaling vindt u in ons stuk over de gewone en de versnelde procedure en op onze pagina Meer over herhaling.
Een inschatting van het bedrag maakt u zelf via Bereken uw boete. In veel dossiers bent u gedekt door uw rechtsbijstandsverzekering, waardoor het ereloon vaak gedekt is, afhankelijk van de polisvoorwaarden: bekijk de mogelijkheden via Gratis advocaat.
Besluit
Herhaling van rijden zonder verzekering is ernstig, maar niet om de reden die meestal wordt genoemd. Voor een eerste feit is een gevangenisstraf uitgesloten: artikel 22, § 1 WAM leest via artikel 78 van het Strafwetboek als een straf van niveau 1, en op dat niveau bestaat geen vrijheidsstraf. De geldboete bedraagt 1.000 tot 10.000 euro.
Bij herhaling binnen drie jaar is het verval van het recht tot sturen van ten minste drie maanden **verplicht**, samen met de vier examens en onderzoeken, oplopend tot zes en negen maanden bij verdere herhaling. Dat is de zekere en de zwaarste consequentie. Of daarbovenop een gevangenisstraf mogelijk is via artikel 60 van het Strafwetboek, is een betwiste vraag waarop artikel 78, § 6 een stevig tegenargument biedt.
En los van dit alles blijft het verhaal van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds tegen de eigenaar van het voertuig, dat een gezin financieel jaren kan achtervolgen. Wie twijfelt of zijn polis in orde is, kijkt dat vandaag beter na dan na een ongeval.
Veelgestelde vragen
Uw autoverzekering betaalt meestal uw advocaat
- De rechtsbijstandswaarborg zit bij de meeste bestuurders al in de BA-autoverzekering of de familiale polis, vaak zonder dat zij het beseffen.
- Anders dan in de meeste andere rechtstakken is dat in verkeerszaken eerder regel dan uitzondering.
- Loopt er een procedure, dan kiest u zélf uw advocaat: uw verzekeraar mag u er geen opleggen (art. 156 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen).
- Wij dienen de aanvraag in bij uw verzekeraar en rekenen rechtstreeks met hem af. Komt uw polis tussen, dan betaalt u zelf niets.
Of uw polis tussenkomt, hangt af van uw voorwaarden — denk aan een waarborgplafond, een wachttijd of een uitsluiting. Wij kijken uw polis gratis na en zeggen u eerlijk waar u aan toe bent vóór er iets opstart.
Laat uw polis nakijkenHulp nodig?
Bij verkeerszaken betaalt de rechtsbijstand in uw autoverzekering meestal het ereloon van uw advocaat — en u kiest zelf wie u verdedigt.
Wettelijke bronnen
Lees onze volledige gids over herhaling