Ga naar hoofdinhoud
    Beboet logoBeboet.be
    050 67 32 06Contact
    Terug naar Blog
    💰 Verkeersboete

    Boetebedragen 2026: de datum van de feiten beslist

    Laatst bijgewerkt op: 2026-10-12T10:49:52.463266+00:00
    Mr. Peter-Jan De Meulenaere7 september 20268 min leestijd0 weergaven
    Boetebedragen 2026: de datum van de feiten beslist
    Google
    4.9/5 (175)
    Trustlocal
    9.7/10 (178)
    353+ tevreden klanten

    Wie een dagvaarding voor de politierechtbank ontvangt, kijkt bijna altijd eerst naar de zittingsdatum. Begrijpelijk, maar het is niet die datum die bepaalt hoeveel de geldboete uiteindelijk zal bedragen. Voor het bedrag telt uitsluitend het ogenblik waarop de feiten zijn gepleegd. Twee bestuurders die op dezelfde ochtend voor dezelfde rechter verschijnen, met een dossier dat op het eerste gezicht identiek oogt, kunnen een verschillend bedrag opgelegd krijgen, enkel en alleen omdat de ene op 20 januari 2026 werd geverbaliseerd en de andere op 20 maart 2026. Sinds 1 september 2026 geldt bovendien het nieuwe Strafwetboek, en dat heeft de rekenwijze grondig hertekend. In dit artikel leggen wij uit welke drie periodes er bestaan, welke factor op elk van die periodes van toepassing is, waarom de nieuwe factor op het eerste gezicht verrassend laag lijkt, en wat dat concreet betekent voor de bedragen die de politierechter u kan opleggen. Wij doen dat vanuit de dagelijkse praktijk van ons kantoor, waar deze vraag sinds de zomer van 2026 in vrijwel elk dossier terugkeert.

    Waarom de datum van de feiten alles bepaalt

    Het strafrecht werkt met een eenvoudig maar streng uitgangspunt: de strafwet die van toepassing is, is in beginsel de wet die gold op het ogenblik van het misdrijf. Dat geldt voor de omschrijving van het misdrijf, voor de straf die erop staat, en dus ook voor de rekenregels die het uiteindelijke boetebedrag bepalen. De datum van de dagvaarding speelt daarbij geen rol. De datum van de zitting evenmin. En de datum waarop u effectief betaalt al helemaal niet.

    Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk gaat het vaak mis. Dossiers blijven soms lang liggen. Tussen de vaststelling en de behandeling ten gronde verstrijken makkelijk twaalf tot achttien maanden. In die tussentijd kan de wetgever de rekenregels twee keer hebben aangepast, wat tussen februari 2026 en september 2026 ook effectief is gebeurd. Wie zijn eigen dossier wil begrijpen, moet dus altijd beginnen bij één vraag: op welke dag zijn de feiten gepleegd?

    Pas als die datum vaststaat, kunt u de juiste factor bepalen. En pas dan weet u of het bedrag dat in de dagvaarding of in het vonnis staat, correct is berekend. Wij zien in de praktijk regelmatig dossiers waarin die oefening niet zorgvuldig is gemaakt. Het loont om dat na te rekenen, want het verschil kan aanzienlijk oplopen.

    Wat opdeciemen zijn en waarom uw boete niet is wat in de wet staat

    Wie in de wettekst kijkt, ziet een bedrag staan dat veel lager ligt dan wat u uiteindelijk moet betalen. Dat is geen fout en ook geen verrassing: het bedrag in de wet is een basisbedrag, en daarop wordt een wettelijke verhoging toegepast. Die verhoging heet de opdeciemen.

    Opdeciemen zijn dus geen boete bovenop uw boete, en ook geen administratieve toeslag. Zij zijn een integraal onderdeel van de berekening van de geldboete zelf. De wetgever gebruikt dat mechanisme al sinds het midden van de vorige eeuw om de bedragen in de strafwetten mee te laten evolueren met het prijspeil, zonder telkens elke afzonderlijke wettekst te moeten herschrijven. Het volstond om de vermenigvuldigingsfactor aan te passen.

    Praktisch betekent dit dat u nooit het bedrag uit de wettekst als eindbedrag mag lezen. U moet steeds de factor toepassen die op de datum van uw feiten van kracht was. Wie dat niet doet, komt tot een bedrag dat een veelvoud te laag of te hoog ligt. Op onze pagina kunt u het resultaat trouwens meteen zelf nakijken: Bereken uw boete.

    De drie periodes op een rij

    Sinds begin 2026 zijn er drie opeenvolgende periodes, elk met een eigen factor en, wat vaak wordt vergeten, elk met een eigen vertrekbedrag.

    | Datum van de feiten | Waarop wordt de factor toegepast | Factor |

    |---|---|---|

    | tot en met 31 januari 2026 | het oude basisbedrag uit de wet | × 8 (70 deciemen) |

    | 1 februari tot en met 31 augustus 2026 | het oude basisbedrag uit de wet | × 10 (90 deciemen) |

    | vanaf 1 september 2026 | het nieuwe nominale bedrag dat de wet zelf noemt | × 1,25 (2,5 opdecimes) |

    De middelste kolom is minstens even belangrijk als de rechtse. Vanaf 1 september 2026 vertrekt u namelijk niet meer van het oude basisbedrag, maar van het nieuwe nominale bedrag dat in de vernieuwde wetteksten staat. Wie de nieuwe factor toepast op een oud basisbedrag, of omgekeerd de oude factor op een nieuw bedrag, komt onvermijdelijk uit op een verkeerd resultaat.

    Het is precies daar dat de meeste rekenfouten ontstaan. De drie periodes vormen geen glijdende schaal, maar drie afzonderlijke systemen die elk intern coherent zijn.

    Waarom vanaf 1 september 2026 factor 1,25 geldt en niet nog eens 10

    Op het eerste gezicht lijkt de sprong van factor 10 naar factor 1,25 op een forse verlaging. Dat is het niet. De verklaring ligt in de manier waarop het nieuwe Strafwetboek is opgesteld.

    Bij de redactie van de nieuwe bedragen was de toen geldende factor 8 al verwerkt in de bedragen zelf. De wetgever heeft met andere woorden de vermenigvuldiging deels naar voren gehaald en meteen in de wettekst geïntegreerd, zodat de bedragen in de wet realistischer zouden ogen. Toen de algemene opdeciemen nadien werden opgetrokken van 70 naar 90 deciemen, is niet elk afzonderlijk bedrag opnieuw herschreven. In plaats daarvan blijft er vanaf 1 september 2026 een restfactor van 2,5 opdecimes over die bovenop het geïntegreerde bedrag komt.

    De rekensom sluit perfect: 8 × 1,25 = 10. Het prijsniveau blijft dus exact hetzelfde als in de periode van 1 februari tot 31 augustus 2026. Er is geen verlaging, en er is evenmin een verhoging. Wat verandert, is uitsluitend de manier waarop u tot het eindbedrag komt.

    Dat inzicht is belangrijk, want het ontkracht meteen twee misverstanden die wij vaak horen. Het eerste is dat boetes sinds september 2026 goedkoper zouden zijn geworden. Het tweede is dat er dubbel zou worden geïndexeerd. Geen van beide klopt.

    Een rekenvoorbeeld dat het scharnier zichtbaar maakt

    Neem een oud basisbedrag van 25 euro uit de wettekst. Dat bedrag doorloopt de drie periodes als volgt.

    Voor feiten tot en met 31 januari 2026 geldt factor 8. De berekening is 25 × 8 = 200 euro. Dat is het bedrag dat de politierechter als geldboete uitspreekt.

    Voor feiten van 1 februari tot en met 31 augustus 2026 geldt factor 10. De berekening is 25 × 10 = 250 euro. Hetzelfde vertrekbedrag, een hogere factor, een hoger eindbedrag.

    Voor feiten vanaf 1 september 2026 vertrekt u niet meer van 25 euro. In de vernieuwde wettekst luidt het geïntegreerde bedrag 200 euro. De berekening is dan 200 × 1,25 = 250 euro. Het eindbedrag is identiek aan dat van de tweede periode, ook al ziet de som er volledig anders uit.

    Wie deze drie lijnen naast elkaar legt, begrijpt onmiddellijk waar de valkuil zit. Niet in de factor op zich, maar in de vraag welk vertrekbedrag daarbij hoort. Verwissel die twee en u zit er een factor 8 naast, in de ene of de andere richting.

    De rechtsgrond: de wet van 5 maart 1952 en haar twee wijzigingen

    De opdeciemen zijn geen praktijkgebruik of rechtspraakconstructie. Zij staan in artikel 1 van de wet van 5 maart 1952 op de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten. Dat ene artikel is het scharnier van het hele systeem.

    Twee recente wetten hebben dat artikel gewijzigd. De wet van 19 december 2025 bracht de opdeciemen van 70 naar 90 deciemen, met ingang van 1 februari 2026. Dat verklaart de overgang van factor 8 naar factor 10. Vervolgens verving de wet van 16 maart 2026, met ingang van 1 september 2026, de woorden negentig deciemen door 2,5 opdecimes. Dat verklaart de derde periode.

    Belangrijk is dat artikel 1 van de wet van 1952 uitdrukkelijk de geldboeten krachtens het Strafwetboek vermeldt. De bedragen van het nieuwe Strafwetboek vallen er dus wel degelijk onder. Het is een misvatting dat het nieuwe Strafwetboek buiten het opdeciemensysteem zou staan omdat de bedragen erin al zijn geactualiseerd. De restfactor van 2,5 opdecimes blijft onverkort van toepassing.

    Wie de juridische onderbouw van zijn dossier wil natrekken, doet er goed aan om die keten van drie teksten uit te schrijven: de basiswet van 1952, de wijziging van december 2025 en de wijziging van maart 2026. Samen bepalen zij welke van de drie factoren op uw feiten van toepassing is.

    De Wegverkeerswet na de harmonisatie van 25 mei 2026

    Naast het Strafwetboek zelf moest ook de Wegverkeerswet worden afgestemd op het nieuwe systeem. Dat is gebeurd met de wet van 25 mei 2026, die de Wegverkeerswet heeft geharmoniseerd met het nieuwe Strafwetboek.

    Sinds die harmonisatie draagt elk strafartikel in de Wegverkeerswet een strafniveau. Daarnaast behoudt de Wegverkeerswet op een aantal punten haar eigen, afwijkende geldboetevorken. Die afwijkende vorken zijn met factor 8 in de nieuwe wettekst opgenomen, precies volgens dezelfde logica als in het Strafwetboek.

    De omzetting was uitdrukkelijk bedragneutraal bedoeld, en dat is ze ook. Het nieuwe nominale bedrag vermenigvuldigd met 1,25 geeft exact hetzelfde resultaat als het oude basisbedrag vermenigvuldigd met 10. Wie dus vreest dat de harmonisatie van mei 2026 een stille strafverzwaring inhield, kan gerust zijn wat de bedragen betreft. De cijfers blijven op hetzelfde niveau; enkel de presentatie in de wettekst is veranderd. Meer achtergrond bij de praktische kant van boetes vindt u op onze pagina Meer over verkeersboetes.

    De effectieve boetevorken vanaf 1 september 2026

    Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 zien de vorken in de Wegverkeerswet er als volgt uit. Telkens vermelden wij eerst het nominale bedrag zoals het in de wet staat, en daarna het effectieve bedrag na toepassing van factor 1,25.

  1. Overtreding van de eerste graad, artikel 29, § 2: nominaal 80 tot 2.000, effectief **€ 100 tot € 2.500**.
  2. Overtreding van de tweede graad, artikel 29, § 1, derde lid: nominaal 160 tot 2.000, effectief **€ 200 tot € 2.500**.
  3. Overtreding van de derde graad, artikel 29, § 1, tweede lid: nominaal 240 tot 4.000, effectief **€ 300 tot € 5.000**.
  4. Overtreding van de vierde graad, artikel 29, § 1, eerste lid: nominaal 320 tot 4.000, effectief **€ 400 tot € 5.000**, met daarbovenop een verplicht verval van het recht tot sturen van ten minste acht dagen.
  5. Snelheidsovertredingen, artikel 29, § 3: nominaal 80 tot 4.000, effectief **€ 100 tot € 5.000**.
  6. Alcohol tussen 0,22 en 0,35 mg/l uitgeademde alveolaire lucht, artikel 34, § 1: nominaal 200 tot 4.000, effectief **€ 250 tot € 5.000**.
  7. Alcohol vanaf 0,35 mg/l, weigering van de test of de analyse, en dronkenschap, artikel 34, § 2 en artikel 35: nominaal 1.600 tot 16.000, effectief **€ 2.000 tot € 20.000**.
  8. Vluchtmisdrijf zonder letsel, artikel 33, § 1: nominaal 1.600 tot 16.000, effectief **€ 2.000 tot € 20.000**.
  9. Vluchtmisdrijf met letsel of dood, artikel 33, § 2: nominaal 3.200 tot 40.000, effectief **€ 4.000 tot € 50.000**.
  10. Deze vorken zijn ruim. De rechter beschikt binnen die grenzen over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid, en dat is precies waar een goed opgebouwde verdediging het verschil maakt. Het minimum van de vork is zelden een automatisme, en het maximum evenmin. Wie eerder werd veroordeeld, moet bovendien rekening houden met de bijzondere regels rond herhaling, die wij toelichten in ons artikel over de strafmaat bij herhaling voor de politierechter.

    Bijzondere wetten met een eigen strafvork: WAM en Wapenwet

    Niet elke strafbepaling staat in het Strafwetboek of in de Wegverkeerswet. Een aantal bijzondere wetten heeft zijn eigen strafvork behouden. De WAM-wet inzake de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de Wapenwet zijn daarvan de bekendste voorbeelden in verkeersdossiers.

    Voor die wetten geldt een eigen regel, en niet de factor 1,25. Artikel 78, § 1, tweede lid van het nieuwe Strafwetboek bepaalt dat het bedrag uit de bijzondere wet wordt vermenigvuldigd met 10 wanneer de geldboete een hoofdstraf is. Gaat het om een geldboete als bijkomende straf, dan geldt artikel 78, § 2 en bedraagt de factor 8. Op het resultaat van die vermenigvuldiging komen de 2,5 opdeciemen niet nogmaals bovenop.

    Het onderscheid tussen beide sporen is dus wezenlijk. Voor het Strafwetboek zelf en voor de bijzondere wetten die op 1 september 2026 mee zijn omgezet — de Wegverkeerswet en de Drugswet — vertrekt u van het nominale bedrag in de wettekst en past u factor 1,25 toe. Voor de bijzondere wetten die hun eigen strafvork behielden, zoals de WAM-wet en de Wapenwet, vertrekt u van het bedrag in die wet en past u de factor van artikel 78 toe: 10 voor een hoofdstraf, 8 voor een bijkomende straf. Wie de twee sporen door elkaar haalt, komt een factor 8 of 10 naast het juiste bedrag uit.

    Voor feiten van vóór 1 september 2026 bevat artikel 78 bovendien een eigen temporele correctie. In dat geval gelden de opdeciemen die op het ogenblik van de feiten van kracht waren. Zo kan de conversiefactor nooit met terugwerkende kracht verzwarend werken. Ook hier komt u dus weer uit bij dezelfde beginvraag: wanneer zijn de feiten gepleegd?

    Wat niet met de strafwet meebeweegt

    Een deel van wat u betaalt in een verkeersdossier volgt deze rekenregels helemaal niet. Dat onderscheid is essentieel, want het verklaart waarom bepaalde bedragen ongewijzigd blijven terwijl andere mee evolueren.

    De onmiddellijke inning en de minnelijke schikking zijn geen door de rechter uitgesproken geldboete. Het zijn vaste sommen die voortvloeien uit het koninklijk besluit van 19 april 2014. Op die sommen wordt geen enkele factor toegepast. Zij volgen bovendien niet noodzakelijk dezelfde regels van temporele toepassing als de geldboete. Hetzelfde geldt voor de bijdrage aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, die € 250 bedraagt, voor bestuurlijke sancties en voor beveiligingsmaatregelen.

    De vaste inningsbedragen zijn de volgende: € 64 voor een overtreding van de eerste graad en voor de overige overtredingen, € 128 voor de tweede graad, € 191 voor de derde graad en € 520 voor de vierde graad. Voor snelheid bedraagt de basissom € 58 voor de eerste 10 km/u boven de toegelaten snelheid. Daarboven komt er € 12 bij per bijkomende kilometer per uur binnen de bebouwde kom, in een zone 30, in een schoolomgeving, in een woonerf en in een erf, en € 7 per bijkomende kilometer per uur elders. Voor artikel 34, § 1 bedraagt de onmiddellijke inning € 197.

    Wie zo'n voorstel naast zich neerlegt, krijgt meestal een bevel tot betalen van het parket (verhoogd met 35 %). Wie daartegen niet binnen dertig dagen beroep aantekent bij de politierechtbank en niet betaalt, ziet het bevel uitvoerbaar verklaard worden zonder tussenkomst van een rechter. Alleen wie beroep aantekent of gedagvaard wordt, komt voor de rechter, en dan gelden de vorken uit de vorige paragraaf. Wat dat concreet betekent, leest u in ons artikel over de gevolgen van een genegeerde onmiddellijke inning. Ook de vraag binnen welke termijn u moet reageren, is daarbij van belang; die behandelen wij in ons stuk over de betaaltermijn van een verkeersboete.

    Het scharnier bij een voortdurend feit

    Bij een eenmalige vaststelling, zoals een flitspaal of een ademtest, is de datum van de feiten meteen duidelijk. Ingewikkelder wordt het wanneer een feitencomplex zich over een langere periode uitstrekt en daarbij een knipdatum overschrijdt, bijvoorbeeld een toestand die begon in januari 2026 en pas in oktober 2026 werd beëindigd.

    In dat geval volstaat het niet om zomaar een datum te kiezen. De datum van vaststelling, de datum van een factuur of de zittingsdatum zijn geen geldige aanknopingspunten. Wat wél moet gebeuren, is het juridische voltooiings- of eindmoment van het misdrijf bepalen. Pas wanneer vaststaat op welk ogenblik het misdrijf naar recht is voltooid of beëindigd, weet u welke van de drie periodes van toepassing is.

    Dat is geen theoretische discussie. Het verschil tussen factor 8 en factor 10 op een stevige vork kan in dergelijke dossiers snel oplopen. Het is dan ook een van de eerste punten die wij in een dossier nakijken.

    De mildste wet bij een wetswijziging

    Er bestaat één correctie op het uitgangspunt dat de wet van het ogenblik van de feiten geldt. Artikel 2, derde lid van het Strafwetboek bepaalt dat wanneer de wet is gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de voor de dader meest gunstige bepalingen gelden.

    Wij beperken ons in dit artikel bewust tot die ene vaststelling. De toepassing ervan is namelijk minder eenvoudig dan de formulering doet vermoeden, en verdient een eigen bespreking. Aan die vraag wijden wij een apart artikel over de mildste wet, waarin wij uitgebreid ingaan op de manier waarop rechters die vergelijking maken.

    Wat u hier moet onthouden, is dat het bestaan van deze regel niet betekent dat u zomaar het laagste bedrag uit de drie periodes mag kiezen. De vergelijking gebeurt niet cijfer per cijfer, maar op basis van het geheel van de toepasselijke bepalingen.

    Hoe die vergelijking per strafonderdeel wordt gemaakt en waar het nieuwe recht milder of net strenger uitvalt, werken wij uit in ons artikel over de mildste strafwet bij feiten van vóór 1 september 2026.

    Wat u concreet doet met uw dossier

    De praktische aanpak is eenvoudiger dan de wetgeving doet vermoeden. Zoek eerst in uw proces-verbaal of dagvaarding de exacte datum van de feiten op. Bepaal daarna in welke van de drie periodes die datum valt. Ga vervolgens na of het bedrag waarop de vervolging zich baseert, een oud basisbedrag is of een nieuw nominaal bedrag, en pas de bijhorende factor toe. Controleer ten slotte of wat u aanrekent wel degelijk een geldboete is, en geen vaste som zoals een onmiddellijke inning of de bijdrage aan het slachtofferfonds.

    Klopt het bedrag in uw dossier niet met die berekening, dan is dat een reden om het dossier grondiger te laten nakijken. Een verkeerd toegepaste factor is geen detail: hij kan het verschil maken tussen een boete van 200 en een boete van 250 euro op een klein dossier, en tussen aanzienlijk hogere bedragen in een zwaar dossier.

    Ons kantoor behandelt dagelijks dossiers voor de politierechtbank, vanuit onze vestigingen in Brugge, Antwerpen, Gent, Tongeren, Sint-Niklaas en Leuven, en maakt deze oefening standaard bij de opstart van elk dossier. In veel gevallen bent u bovendien gedekt door uw rechtsbijstandsverzekering, waardoor het ereloon vaak gedekt is, afhankelijk van de polisvoorwaarden: bekijk daarvoor de mogelijkheden via Gratis advocaat. Wie liever eerst zelf een inschatting maakt van het bedrag dat op tafel ligt, kan meteen aan de slag met onze rekenmodule en daarna gericht advies vragen.

    Ligt het bedrag dat uit deze berekening volgt buiten uw financiële mogelijkheden, dan biedt artikel 52, § 2 van het Strafwetboek een uitweg. Wat u daarvoor moet aanbrengen, leest u in ons artikel over het verlagen van een geldboete door uw financiële draagkracht.

    Besluit

    Het bedrag van uw geldboete wordt niet bepaald door de rechter die u toevallig treft of door de datum waarop uw zaak wordt behandeld, maar door de dag waarop de feiten zijn gepleegd. Drie periodes, drie factoren, en telkens een ander vertrekbedrag. Feiten tot en met 31 januari 2026 volgen het oude basisbedrag maal 8. Feiten tussen 1 februari en 31 augustus 2026 volgen datzelfde basisbedrag maal 10. Feiten vanaf 1 september 2026 volgen het nieuwe nominale bedrag maal 1,25, wat op precies hetzelfde prijsniveau uitkomt.

    Wie dat onderscheid scherp houdt, leest zijn dossier correct en ziet meteen of het gevorderde bedrag klopt. En wie twijfelt, laat het beter een keer te veel dan een keer te weinig nakijken.

    Veelgestelde vragen

    Uw autoverzekering betaalt meestal uw advocaat

    • De rechtsbijstandswaarborg zit bij de meeste bestuurders al in de BA-autoverzekering of de familiale polis, vaak zonder dat zij het beseffen.
    • Anders dan in de meeste andere rechtstakken is dat in verkeerszaken eerder regel dan uitzondering.
    • Loopt er een procedure, dan kiest u zélf uw advocaat: uw verzekeraar mag u er geen opleggen (art. 156 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen).
    • Wij dienen de aanvraag in bij uw verzekeraar en rekenen rechtstreeks met hem af. Komt uw polis tussen, dan betaalt u zelf niets.

    Of uw polis tussenkomt, hangt af van uw voorwaarden — denk aan een waarborgplafond, een wachttijd of een uitsluiting. Wij kijken uw polis gratis na en zeggen u eerlijk waar u aan toe bent vóór er iets opstart.

    Laat uw polis nakijken

    Hulp nodig?

    Bij verkeerszaken betaalt de rechtsbijstand in uw autoverzekering meestal het ereloon van uw advocaat — en u kiest zelf wie u verdedigt.

    Lees onze volledige gids over verkeersboete

    Gerelateerde artikelen

    Verkeersboete

    Verkeersboete niet betaald: beslag vermijden

    16 okt 2026 · 24 min

    Verkeersboete

    Geldboete verlagen door financiële draagkracht: uw rechten

    7 sep 2026 · 8 min

    Verkeersboete

    Verkeersboete en strafregister: wanneer vermeld?

    4 sep 2026 · 9 min

    Andere overtredingen