Mildste strafwet: feiten van vóór 1 september 2026
Wie vandaag wordt gedagvaard voor de politierechtbank, verschijnt bijna altijd voor feiten die dateren van vóór 1 september 2026. Op die datum trad het nieuwe Strafwetboek in werking, samen met een grondig hertekende Wegverkeerswet. Het gevolg is een situatie die in de praktijk zelden voorkomt en die dit gerechtelijk jaar bijzonder maakt: er bestaan twee strafregelingen naast elkaar, en de rechter mag u niet zomaar de nieuwe opleggen. Hij moet de regeling toepassen die voor u het gunstigst is. Dat beginsel heet de mildste strafwet, of in juridische taal lex mitior. Het is geen theoretische figuur uit de rechtsleer, maar een concreet verweer dat vandaag in tientallen dossiers per zitting het verschil maakt tussen een geldboete en een gevangenisstraf, tussen een verdubbeling bij herhaling en geen verdubbeling, tussen een veroordeling en een vrijspraak. In dit artikel leest u wat artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek precies bepaalt, welke onderdelen van uw straf moeten worden vergeleken, waar het nieuwe recht milder is en waar het net strenger werd, en hoe u dit verweer voor de politierechtbank onderbouwt.
Waarom de datum van de feiten vandaag uw dossier bepaalt
In het verkeersstrafrecht zit er bijna altijd tijd tussen de vaststelling en de zitting. Een proces-verbaal wordt opgesteld, het parket beslist, er volgt eventueel een voorstel tot minnelijke schikking, en pas daarna komt de dagvaarding. Tussen de feiten en de behandeling ten gronde liggen vaak zes maanden tot twee jaar. Precies daarom is de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 1 september 2026 zo ingrijpend: de overgrote meerderheid van de zaken die nu op zitting komen, betreft feiten uit 2025 of uit de eerste acht maanden van 2026.
De regel is eenvoudig te formuleren en moeilijk toe te passen. Voor de strafbaarstelling en voor de strafmaat kijkt de rechter naar het ogenblik van de feiten, niet naar de dag van de zitting. Wijzigde de wet nadien, dan gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen. Dat betekent dat uw advocaat twee volledige strafregelingen naast elkaar moet leggen en per onderdeel moet nagaan welke voor u beter uitvalt.
Wie dat niet doet, laat kansen liggen. In de praktijk zien wij dossiers waarin de dagvaarding nog volledig in de oude terminologie is opgesteld, terwijl het nieuwe recht op dat punt duidelijk gunstiger is. En omgekeerd: dossiers waarin de nieuwe strafniveaus worden aangehaald, terwijl het oude recht voor die specifieke tenlastelegging een lager minimum kende. Meer over gedagvaard worden leest u in ons overzicht van de procedure voor de politierechtbank.
Artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek: wat de wet letterlijk zegt
Artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek bevat drie regels die samen het temporeel toepassingsgebied van de strafwet afbakenen.
Ten eerste kan niemand worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten. Dit is het klassieke legaliteitsbeginsel: is een gedraging pas na uw feiten strafbaar gesteld, dan kan zij u niet worden aangerekend.
Ten tweede kan geen zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien. Merk op dat de wet uitdrukkelijk zowel de hoofdstraf als de bijkomende straf vermeldt. Voor het verkeersstrafrecht is dat essentieel, want het rijverbod is bij uitstek een straf die het dagelijkse leven van een beklaagde bepaalt.
Ten derde, en dat is de kern van dit artikel: in geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen. Deze derde regel is geen gunst en geen billijkheidscorrectie. Het is een dwingende regel waar de rechter zich aan moet houden, ook wanneer de beklaagde er zelf niet om vraagt. Maar in de praktijk werkt een rechtbank die op één zitting tientallen dossiers behandelt sneller en preciezer wanneer het verweer haar de vergelijking uitgeschreven aanreikt. Daarom hoort deze oefening in conclusies, niet in een terloopse mondelinge opmerking.
De drie opdeciemenperiodes en het boetebedrag in uw dossier
De geldboete is voor de meeste beklaagden het meest tastbare onderdeel van de straf. En precies daar is de datum van de feiten beslissend. Niet de zittingsdatum, niet de datum van het vonnis, maar de dag waarop de feiten werden gepleegd.
Er zijn drie periodes te onderscheiden:
Wie deze drie periodes door elkaar haalt, komt bij eenzelfde tenlastelegging tot sterk uiteenlopende bedragen. Een dossier met feiten van januari 2026 wordt dus anders berekend dan een dossier met feiten van maart 2026, ook al staan beide zaken op dezelfde zitting geagendeerd. Wilt u een eerste inschatting van wat u concreet boven het hoofd hangt, dan kunt u Bereken uw boete gebruiken als vertrekpunt. Voor de precieze toepassing op uw dossier blijft een nazicht van het strafdossier noodzakelijk, want de kwalificatie van de tenlastelegging bepaalt het basisbedrag.
Dat het loutere tijdstip van de feiten zo zwaar doorweegt, is geen detail. Wij lichten dat mechanisme uitvoeriger toe in ons artikel over verkeersboetes en de vermelding op uw strafregister, waar ook het belang van de kwalificatie aan bod komt.
Welke van die drie periodes op uw dossier van toepassing is, hangt uitsluitend af van de datum van de feiten en niet van de datum van uw dagvaarding. Wij hebben dat scharnier volledig uitgewerkt, met de rechtsgrond en een rekenvoorbeeld, in ons artikel over welke boete geldt en waarom de datum van de feiten beslist.
Strafniveaus in de Wegverkeerswet: waar het nieuwe recht milder uitvalt
Sinds 1 september 2026 drukt de Wegverkeerswet haar straffen niet langer uit in afzonderlijke vorken van geldboete en gevangenisstraf, maar in strafniveaus. Dat is meer dan een technische herschikking, want aan elk niveau hangt een vaste strafinhoud vast.
Het belangrijkste gegeven voor de verdediging is dit: op niveau 1 staat geen gevangenisstraf. Een reeks klassieke verkeersmisdrijven werd op dat niveau ondergebracht:
Onder het oude recht was op verschillende van deze feiten wel degelijk een gevangenisstraf voorzien. Voor een beklaagde die vandaag voor feiten uit 2025 verschijnt, is het nieuwe recht op dat punt dus onmiskenbaar gunstiger. Dat is geen academisch verschil: het risico op een vrijheidsstraf bepaalt de inzet van de zitting, weegt op de onderhandeling met het openbaar ministerie en bepaalt mee hoe een beklaagde zijn verweer opbouwt.
Wanneer uw dagvaarding een van deze tenlasteleggingen bevat en de feiten dateren van vóór 1 september 2026, moet in conclusies uitdrukkelijk worden gevraagd dat de rechtbank op dit punt het nieuwe recht toepast.
Waar het nieuwe recht net strenger werd
De vergelijking loopt niet in één richting. Bij sommige feiten ging het minimum van de gevangenisstraf juist omhoog, en dan is het oude recht voor de beklaagde het gunstigst.
Het duidelijkste voorbeeld is het sturen tijdens een verval van het recht tot sturen, artikel 48, § 1 van de Wegverkeerswet. Dat feit valt onder het nieuwe recht in niveau 2, met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar. Onder het oude recht bedroeg de vork vijftien dagen tot twee jaar. Het minimum steeg dus van vijftien dagen naar zes maanden. Voor wie vandaag terechtstaat voor feiten uit 2025, is dat een verschil dat u niet mag laten passeren.
Daar staat tegenover dat artikel 27 van het Strafwetboek de gevangenisstraf uitdrukkelijk aanmerkt als de laatst te overwegen straf. De rechter moet dus eerst onderzoeken of een andere straf volstaat. Dat neemt niet weg dat het verhoogde wettelijke minimum een reëel risico vormt zodra de rechtbank tot een vrijheidsstraf besluit, en dat de mildste strafwet hier dus in het voordeel van het oude recht speelt.
Deze twee vaststellingen samen tonen waarom een globale uitspraak als het nieuwe recht is milder of het nieuwe recht is strenger nooit klopt. De vergelijking moet per tenlastelegging en per strafonderdeel worden gemaakt.
Herhaling: de automatische verdubbeling is verdwenen
Een van de meest onderschatte wijzigingen betreft de herhaling. Artikel 29, § 4 van de Wegverkeerswet is opgeheven. Die bepaling voorzag in een algemene verdubbeling van de geldboete bij herhaling. Die automatische verdubbeling bestaat dus niet meer.
Herhaling wordt sindsdien beheerst door artikel 60 van het Strafwetboek. Dat artikel laat de rechter toe de straf naar het onmiddellijk hogere strafniveau te brengen wanneer de vorige veroordeling minder dan vijf jaar oud is. Het cruciale woord is laat toe. Het gaat om een mogelijkheid voor de rechter, geen automatisme dat van rechtswege intreedt.
Voor een beklaagde met een verkeersverleden verandert dat de aard van het debat volledig. Waar vroeger de verdubbeling vaststond zodra de wettelijke voorwaarden van herhaling vervuld waren, is er vandaag ruimte om te pleiten dat de rechtbank van de mogelijkheid geen gebruik maakt. Persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop sinds de vorige veroordeling, de aard van het eerdere feit en het verband met de huidige tenlastelegging worden daarmee opnieuw relevant.
Hoe een politierechter de strafmaat bij herhaling vandaag benadert, bespreken wij uitgebreider in ons artikel over de strafmaat bij herhaling voor de politierechter. Wat u concreet kunt aanvoeren, komt aan bod in onze bijdrage over verdediging bij herhaling van een verkeersovertreding.
Doding en letsel in het verkeer: de drempel van het ernstig gebrek
Bij de zwaarste verkeersdossiers, die met een dodelijk slachtoffer of met lichamelijk letsel, wijzigde niet alleen de straf maar ook de constitutieve voorwaarde van het misdrijf zelf.
Artikel 107 van het Strafwetboek, dat de doding in het verkeer strafbaar stelt, en artikel 218, dat het veroorzaken van een integriteitsaantasting in het verkeer betreft, vereisen sinds het nieuwe recht een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid. Het oude recht, artikel 419 oud Sw. en artikel 420 oud Sw., stelde die eis niet: een gewoon gebrek aan voorzichtigheid volstond.
Dat is een wezenlijk hogere drempel, en dus een voor de beklaagde gunstige wijziging. Waar vroeger een lichte onoplettendheid volstond om tot een veroordeling te komen, moet nu worden aangetoond dat het gebrek ernstig was. Voor de verdediging opent dat een debat over de kwalificatie zelf, en niet enkel over de strafmaat.
Tegelijk voerde het nieuwe recht ook een verzwaring in. Artikel 107/1 van het Strafwetboek betreft de verzwaarde doding in het verkeer, met een straf van niveau 4, wanneer het feit gepaard gaat met een overtreding van de vierde graad, met het negeren van een rood licht, met het vasthouden of manipuleren van een mobiel elektronisch apparaat met een scherm, of met een snelheidsoverschrijding van meer dan 40 km/u, dan wel meer dan 30 km/u binnen de bebouwde kom, in een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf. Artikel 218/1 maakt van diezelfde omstandigheden verzwarende factoren wanneer er letsel is.
Ook hier geldt dus: de nieuwe drempel van het ernstig gebrek is gunstiger, de nieuwe verzwarende omstandigheden zijn dat niet. Beide moeten in de vergelijking worden betrokken.
De vergelijkingsmethode: een debat dat nog niet beslecht is
Hoe moet die vergelijking nu technisch verlopen? Dat is vandaag geen uitgemaakte zaak, en dat mag u niet anders voorgesteld worden.
De omzendbrief COL 02/2026 van het College van procureurs-generaal verdedigt een distributieve vergelijking. In de praktijk wordt dat panacheren genoemd: per strafcomponent wordt de gunstigste regeling gekozen. Concreet zou dat betekenen dat u voor het ene onderdeel het nieuwe recht geniet en voor het andere het oude, binnen één en hetzelfde vonnis.
De omzendbrief signaleert zelf dat deze benadering afwijkt van de vroegere cassatierechtspraak, die strafstelsels net als één ondeelbaar geheel vergeleek. Volgens die klassieke lijn zou de rechter moeten kiezen: ofwel volledig het oude recht, ofwel volledig het nieuwe, zonder de gunstigste stukken uit beide te combineren.
Zolang de rechtspraak dit niet heeft uitgeklaard, is dit een open punt. Het is geen vaststaand recht en niemand kan u vandaag met zekerheid zeggen welke methode uw rechtbank zal volgen. Precies daarom moet dit debat uitdrukkelijk in conclusies worden gevoerd. Wie enkel mondeling naar de omzendbrief verwijst, riskeert dat het punt niet in het vonnis wordt behandeld en dus ook in hoger beroep moeilijker te verdedigen valt. Wie het schriftelijk en gemotiveerd aanbrengt, dwingt de rechtbank tot een standpunt.
Het scharniermoment bij feiten die over een knipdatum lopen
Niet elk dossier heeft een nette datum. Bij voortdurende of herhaalde feiten kan een feitencomplex een knipdatum overschrijden: het begint vóór 1 september 2026 en loopt daarna door, of het loopt over de grens van 31 januari 2026 heen die de opdeciemen bepaalt.
In dat geval volstaat het niet om zomaar een datum te kiezen. Er moet eerst juridisch worden bepaald wat het voltooiings- of eindmoment van het misdrijf is. Een eenvoudige keuze voor de datum van de vaststelling, de datum van een factuur of de zittingsdatum is geen aanvaardbare methode, ook al gebeurt dat in de praktijk soms uit gemakzucht.
Dit is een van de scherpste technische punten in het huidige overgangsrecht. Wie het correct aanpakt, kan een dossier onder een gunstiger regime brengen. Wie het overslaat, aanvaardt stilzwijgend de datum die het dossier toevallig vooropstelt. Het loont dus om bij elk dossier met een gespreid feitencomplex uitdrukkelijk stil te staan bij de vraag wanneer het misdrijf juridisch voltooid was.
Wat buiten de vergelijking valt
Even belangrijk als weten wat u kunt vergelijken, is weten wat u niet zomaar mee in de weegschaal kunt leggen. Verschillende gevolgen van een verkeersdossier volgen niet noodzakelijk dezelfde regels van temporele toepassing als de eigenlijke strafrechtelijke geldboete.
Dat geldt onder meer voor bestuurlijke sancties, voor procedureregels, voor beveiligingsmaatregelen en voor de bijdrage aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers. Die laatste wordt door beklaagden vaak als een boete ervaren, maar is dat juridisch niet.
Hetzelfde geldt voor de onmiddellijke inning en de minnelijke schikking. Dat zijn geen door de rechter uitgesproken geldboetes, maar vaste sommen die hun grondslag vinden in het koninklijk besluit van 19 april 2014. Wie een voorstel tot onmiddellijke inning ontvangt en dat bedrag vergelijkt met wat een rechter zou opleggen, vergelijkt dus twee verschillende zaken.
Voor de praktijk betekent dit dat een verweer op basis van de mildste strafwet zorgvuldig moet worden afgebakend. Een conclusie die alles op één hoop gooit, verzwakt de sterke onderdelen van het betoog.
Uw financiële draagkracht en artikel 52, § 2 van het Strafwetboek
Los van de vergelijking tussen oud en nieuw recht bevat het nieuwe Strafwetboek een bepaling die voor veel beklaagden rechtstreeks verschil maakt. Artikel 52, § 2 verplicht de rechter rekening te houden met de door de beklaagde aangevoerde financiële draagkracht en sociale toestand.
Die bepaling gaat verder dan een aanmoediging. Zij laat de rechter toe onder het wettelijk minimum van de geldboete te gaan wanneer een precaire financiële situatie wordt bewezen, en zij laat betaling in schijven toe.
Het woord aangevoerde is daarbij cruciaal. De rechter moet rekening houden met wat u aanbrengt. Wie niets aanbrengt, kan moeilijk verwachten dat de rechtbank uit eigen beweging naar zijn inkomenssituatie gaat zoeken. Loonfiches, een bewijs van een uitkering, een overzicht van vaste lasten, een attest van schuldbemiddeling of een bewijs van lopende afbetalingen zijn stukken die het verschil kunnen maken. Zij horen genummerd in een inventaris bij uw conclusies.
Voor beklaagden met een beperkt inkomen is dit vaak het meest concrete verweer dat er is, en het staat volledig los van de schuldvraag.
Hoe u die draagkrachttoets concreet onderbouwt en welke stukken de politierechter daarvoor verwacht, leest u in ons artikel over het verlagen van een geldboete door uw financiële draagkracht.
Hoe u het verweer van de mildste strafwet concreet voert
Een goed onderbouwd verweer op basis van artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek verloopt in vaste stappen.
Stap 1: bepaal de datum van de feiten
Ga na welke datum in het proces-verbaal als feitendatum wordt vermeld en of die datum juist is. Loopt het feitencomplex over een knipdatum, bepaal dan eerst het juridische eindmoment van het misdrijf.
Stap 2: leg beide strafregelingen naast elkaar
Zet per tenlastelegging uit welke straf het oude recht voorzag en welk strafniveau het nieuwe recht eraan koppelt. Vergeet daarbij de bijkomende straf niet, in het bijzonder het verval van het recht tot sturen.
Stap 3: bepaal per onderdeel wat gunstiger is
Werk dat uit voor de gevangenisstraf, voor de geldboete met de juiste opdeciemen, voor de herhalingsregeling en, waar van toepassing, voor de constitutieve bestanddelen van het misdrijf zelf.
Stap 4: neem uitdrukkelijk stelling over de methode
Motiveer waarom de rechtbank distributief mag vergelijken, of waarom zij dat volgens u net niet mag. Verwijs naar de omzendbrief COL 02/2026 en naar de onduidelijkheid die daarover vandaag bestaat, en formuleer een subsidiair standpunt voor het geval de rechtbank de andere methode volgt.
Stap 5: voeg uw persoonlijke situatie toe
Breng de stukken aan die uw financiële draagkracht en sociale toestand aantonen, met het oog op artikel 52, § 2 van het Strafwetboek.
Wie deze vijf stappen schriftelijk uitwerkt, geeft de rechtbank een kant en klaar kader. Dat verhoogt niet alleen de kans op een gunstige uitkomst, het zorgt er ook voor dat het punt in het vonnis wordt behandeld, wat van belang is als er later hoger beroep volgt.
Wat ons kantoor voor u kan doen
De vergelijking tussen oud en nieuw recht is geen standaardoefening die u met een rekenmodule afhandelt. Zij vraagt lezing van het volledige strafdossier, kennis van de exacte kwalificatie van elke tenlastelegging en een inschatting van hoe uw rechtbank vandaag met de methodekwestie omgaat.
Ons kantoor behandelt dagelijks dossiers voor de politierechtbank, vanuit onze vestigingen in Brugge, Antwerpen, Gent, Tongeren, Sint-Niklaas en Leuven, en volgt de overgang naar het nieuwe Strafwetboek van nabij op. Wij gaan voor elk dossier na welke van de drie opdeciemenperiodes van toepassing is, of het nieuwe strafniveau uw positie verbetert of verslechtert, of de opgeheven verdubbeling bij herhaling in uw voordeel speelt en welke stukken uw financiële situatie het best onderbouwen.
Beschikt u over een rechtsbijstandsverzekering, dan is uw bijstand in veel gevallen gedekt. Voldoet u aan de wettelijke voorwaarden, dan kunt u mogelijk een beroep doen op een Gratis advocaat. In beide gevallen geldt hetzelfde: hoe vroeger het dossier wordt nagekeken, hoe meer ruimte er overblijft om het verweer op te bouwen vóór de zitting. Wacht dus niet tot de week van de zitting om uw dagvaarding te laten nalezen.
Veelgestelde vragen
Uw autoverzekering betaalt meestal uw advocaat
- De rechtsbijstandswaarborg zit bij de meeste bestuurders al in de BA-autoverzekering of de familiale polis, vaak zonder dat zij het beseffen.
- Anders dan in de meeste andere rechtstakken is dat in verkeerszaken eerder regel dan uitzondering.
- Loopt er een procedure, dan kiest u zélf uw advocaat: uw verzekeraar mag u er geen opleggen (art. 156 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen).
- Wij dienen de aanvraag in bij uw verzekeraar en rekenen rechtstreeks met hem af. Komt uw polis tussen, dan betaalt u zelf niets.
Of uw polis tussenkomt, hangt af van uw voorwaarden — denk aan een waarborgplafond, een wachttijd of een uitsluiting. Wij kijken uw polis gratis na en zeggen u eerlijk waar u aan toe bent vóór er iets opstart.
Laat uw polis nakijkenHulp nodig?
Bij verkeerszaken betaalt de rechtsbijstand in uw autoverzekering meestal het ereloon van uw advocaat — en u kiest zelf wie u verdedigt.
Wettelijke bronnen
Lees onze volledige gids over overige inbreuken