Ga naar hoofdinhoud
    Beboet logoBeboet.be
    050 67 32 06Contact
    Terug naar Blog
    🔄 Herhaling

    Herhaling GSM-gebruik: geen art. 60 Sw.

    Laatst bijgewerkt op: 2026-10-13T08:23:18.626602+00:00
    Mr. Chanel Ribas Colomar7 oktober 202628 min leestijd0 weergaven
    Herhaling GSM-gebruik: geen art. 60 Sw.
    Google
    4.9/5 (175)
    Trustlocal
    9.7/10 (178)
    353+ tevreden klanten

    Wie opnieuw wordt betrapt met een gsm of ander scherm in de hand, verwacht vaak automatisch “recidive” en dus een veel zwaardere straf. Sinds 1 september 2026 is de terminologie in het Belgische strafrecht grondig gewijzigd, waardoor precies moet worden gekeken naar de datum van de feiten, de juiste wet en het juiste artikel. Voor gsm-gebruik achter het stuur is de centrale boodschap duidelijk: art. 60 Sw. is niet de strafverzwaringsroute voor een gewone overtreding van de Wegcode, maar herhaling kan wél zware gevolgen hebben via de eigen regels van de Wegverkeerswet.

    Wat bedoelen we met herhaling bij gsm-gebruik?

    Gsm-gebruik achter het stuur wordt in de praktijk meestal vastgesteld wanneer een bestuurder een mobiel elektronisch apparaat met een scherm vasthoudt tijdens het rijden. De regel staat in art. 8.4 Wegcode. Het gaat niet alleen om bellen. Ook scrollen, lezen, typen, een bericht openen, een app bedienen of een toestel in de hand houden kan onder de bepaling vallen wanneer het toestel een mobiel elektronisch apparaat met een scherm is.

    De overtreding is ingedeeld als een overtreding van de derde graad. Dat is belangrijk, omdat de straf niet uit art. 60 Sw. wordt gehaald, maar uit art. 29, § 1, tweede lid Wegverkeerswet. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete voor een overtreding van de derde graad 300 tot 5.000 euro. Het gaat om een straf van niveau 1. Op niveau 1 staat geen gevangenisstraf.

    Herhaling betekent in deze context niet zomaar dat u “al eens iets verkeerd deed”. De Wegverkeerswet werkt met specifieke voorwaarden. Voor art. 29, § 1 en § 3 blijft de eigen herhalingsregeling relevant: bij herhaling binnen drie jaar, te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de geldboete verdubbeld. Voor een gsm-overtreding van de derde graad betekent dit dat de rechter niet vertrekt van art. 60 Sw., maar van de bijzondere regeling in de Wegverkeerswet.

    Het verschil is niet louter academisch. Een onmiddellijke inning, een minnelijke schikking en een veroordelend vonnis hebben niet dezelfde juridische betekenis. Een onmiddellijke inning wordt door de politie voorgesteld. Een minnelijke schikking komt van het parket en is geen veroordeling. Enkel een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan de herhalingsregeling van art. 29, § 4 Wegverkeerswet activeren voor een nieuwe overtreding van art. 29, § 1 of § 3.

    Wie zijn risico wil inschatten, moet dus eerst nagaan wat er vroeger precies is gebeurd. Was er enkel een betaling van een onmiddellijke inning? Was er een minnelijke schikking? Of was er een vonnis van de politierechtbank, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat? Die kwalificatie bepaalt of er juridisch sprake kan zijn van herhaling. Via Bereken uw boete krijgt u een eerste praktisch beeld van de mogelijke financiële impact, maar de juridische beoordeling hangt altijd af van het dossier.

    Waarom art. 60 Sw. niet geldt voor gewone gsm-overtredingen

    Het nieuwe Strafwetboek bevat sinds 1 september 2026 een algemene bepaling over herhaling in art. 60 Sw. Toch mag die bepaling niet automatisch op verkeersdossiers worden geplakt. Voor de Wegverkeerswet is er namelijk een duidelijke uitsluiting: art. 60 Sw. is niet van toepassing op de Wegverkeerswet, gelet op art. 27bis Wegverkeerswet. Dat is de sleutel om herhaling bij gsm-gebruik correct te begrijpen.

    Bij gsm-gebruik achter het stuur blijft de Wegverkeerswet dus de eerste en doorslaggevende bron. Omdat het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat met een scherm een derdegraadsovertreding is, kijkt de rechter naar art. 29, § 1, tweede lid Wegverkeerswet voor de basisstraf en naar het resterende herhalingsmechanisme van art. 29, § 4 Wegverkeerswet voor de mogelijke verdubbeling van de geldboete. De algemene herhalingsbepaling van art. 60 Sw. komt daar niet bovenop.

    Dat onderscheid voorkomt dat straffen verkeerd worden voorgesteld. Men hoort soms dat “het Strafwetboek alles verdubbelt bij recidive” of dat gsm-gebruik door herhaling automatisch in een zwaarder strafniveau belandt. Voor een gewone gsm-overtreding klopt dat niet. De derdegraadsovertreding blijft een niveau 1-straf. Niveau 1 laat een geldboete, een werkstraf van 20 tot 120 uur of een probatiestraf van 6 tot 12 maanden toe, maar geen gevangenisstraf.

    De officiële teksten kunnen worden nagekeken via de Wegcode en de Wegverkeerswet op wegcode.be. In een verkeersdossier is het nuttig om de exacte kwalificatie te controleren: art. 8.4 Wegcode voor het gsm-verbod, art. 29 Wegverkeerswet voor de straf, en art. 27bis Wegverkeerswet voor de verhouding met art. 60 Sw. Een fout in die kwalificatie kan leiden tot een verkeerd strafbeeld.

    De verwarring ontstaat vooral omdat art. 60 Sw. op zichzelf een algemene herhalingsbepaling is. In verkeerszaken bestaan echter bijzondere regels. Sommige verkeersartikelen hebben een eigen herhalingsregeling, zoals art. 29, § 4 Wegverkeerswet voor tweede-, derde- en vierdegraadsovertredingen en snelheidsovertredingen, of andere bepalingen voor alcohol, drugs, sturen tijdens verval en rijden zonder rijbewijs. De advocaat moet dus niet alleen “herhaling” lezen, maar ook nagaan welk artikel de herhaling regelt.

    De basisstraf voor gsm-gebruik als derdegraadsovertreding

    Het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat met een scherm tijdens het rijden is een overtreding van de derde graad. Dat maakt het ernstiger dan bijvoorbeeld een gewone eerste- of tweedegraadsovertreding, maar het blijft een niveau 1-straf onder de Wegverkeerswet. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete voor een overtreding van de derde graad 300 tot 5.000 euro.

    Naast de geldboete kan de rechter binnen niveau 1 ook kijken naar een werkstraf of probatiestraf. Een werkstraf op niveau 1 duurt 20 tot 120 uur. Een probatiestraf op niveau 1 duurt 6 tot 12 maanden. Het nieuwe Strafwetboek werkt met strafniveaus, maar die indeling betekent niet dat elk verkeersfeit een gevangenisstraf kan meebrengen. Bij niveau 1 is een gevangenisstraf uitgesloten.

    Voor een onmiddellijke inning ligt het anders. De onmiddellijke inning is geen geldboete en wordt niet door de rechter opgelegd. Voor een derdegraadsovertreding bedraagt de onmiddellijke inning volgens het KB van 19 april 2014 momenteel 191 euro. Daarbij hoort in 2026 de administratieve toeslag van 10,67 euro bij de onmiddellijke inning. Die inning is een vaste som; er wordt geen eigen factor op toegepast.

    Een onmiddellijke inning is bovendien niet altijd mogelijk. Zij is onder meer uitgesloten bij een derdegraadsovertreding samen met een andere overtreding, bij een overtreder jonger dan achttien jaar en boven een totaalsom van 382 euro, waarbij alcohol- en snelheidsbedragen niet meetellen voor dat plafond. Als de inning niet wordt aangeboden, niet wordt betaald of het dossier om andere redenen naar het parket gaat, kan een minnelijke schikking of een dagvaarding volgen.

    Een concreet voorbeeld verduidelijkt het verschil. Bestuurder A wordt in oktober 2026 betrapt terwijl hij zijn smartphone in de hand houdt op de ring rond Antwerpen. Als het dossier via een onmiddellijke inning wordt afgehandeld, betaalt hij het inningsbedrag en de bijhorende administratieve toeslag. Bestuurder B heeft daarentegen een eerdere definitieve veroordeling voor een derdegraadsovertreding binnen de relevante termijn en wordt opnieuw gedagvaard. Dan kan de rechter de geldboete verdubbelen op basis van de eigen herhalingsregeling van de Wegverkeerswet, niet op basis van art. 60 Sw.

    Wanneer verdubbelt de geldboete bij herhaling?

    De verdubbeling bij herhaling voor gsm-gebruik volgt uit de resterende herhalingsregeling van art. 29, § 4 Wegverkeerswet. De regeling geldt bij herhaling van een overtreding van art. 29, § 1, dus ook de tweede, derde en vierde graad, en van art. 29, § 3 voor snelheid. De termijn bedraagt drie jaar en wordt geteld vanaf de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.

    Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de gewone geldboete voor een derdegraadsovertreding 300 tot 5.000 euro. Bij een geldige herhaling binnen de voorwaarden van art. 29, § 4 Wegverkeerswet wordt die geldboete verdubbeld. De essentie is dat de verdubbeling pas speelt wanneer er een vorige veroordeling is die juridisch aan de voorwaarden voldoet. Een loutere politiecontrole of een eerdere betaling zonder vonnis is daarvoor niet hetzelfde.

    De datum van de feiten blijft cruciaal. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 gelden de hierboven vermelde effectieve bedragen van de omgezette Wegverkeerswet. Voor feiten van 1 februari tot en met 31 augustus 2026 golden de oude basisbedragen met het toen toepasselijke systeem; de straffen waren toen nog geen strafniveaus. Voor feiten van vóór 1 september 2026 moet de rechter bovendien de voor de beklaagde gunstigste wet toepassen volgens art. 2, derde lid Sw.

    Stel dat iemand op 15 oktober 2026 wordt gedagvaard voor gsm-gebruik. De rechter kijkt dan niet naar de datum van de dagvaarding, maar naar de datum van de feiten. Als die feiten op 20 september 2026 gebeurden, gelden de bedragen voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026. Als de eerdere veroordeling binnen drie jaar valt en in kracht van gewijsde is gegaan, kan de herhalingsregeling worden toegepast. Als de eerdere zaak enkel met een minnelijke schikking werd afgesloten, is dat geen veroordeling.

    De verdediging zal daarom nagaan of het parket het bewijs van herhaling correct levert. Staat het vorige vonnis in het dossier? Is duidelijk dat het in kracht van gewijsde is gegaan? Valt de nieuwe overtreding binnen drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat eerdere vonnis? Gaat het vorige feit over een in aanmerking komende categorie? Die vragen zijn vaak minstens even belangrijk als de discussie over het vasthouden van het toestel zelf.

    Onmiddellijke inning, minnelijke schikking en dagvaarding

    Bij gsm-gebruik begint de zaak vaak met een proces-verbaal en eventueel een onmiddellijke inning. Het afschrift van het proces-verbaal wordt bij federale verkeersregels aan de geïdentificeerde overtreder, de houder van de kentekenplaat of de gebruikelijke bestuurder gezonden binnen dertig dagen, te rekenen van de datum van de misdrijven. Als identiteit of adres niet meteen kan worden vastgesteld, begint die termijn pas te lopen zodra dat wel kan. De advocaat gaat na of het afschrift tijdig werd verzonden.

    De onmiddellijke inning komt van de politie en is niet hetzelfde als een minnelijke schikking. Voor een derdegraadsovertreding bedraagt de onmiddellijke inning 191 euro, met in 2026 de administratieve toeslag van 10,67 euro. Wordt de betaling per overschrijving gevraagd, dan bedraagt de betalingstermijn tien dagen vanaf de afgifte of verzending van het verklarend document. Wie niet betaalt, mag er niet van uitgaan dat het dossier vanzelf verdwijnt.

    De minnelijke schikking komt van het parket. De betalingstermijn wordt door de procureur bepaald en bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden. Een minnelijke schikking is geen erkenning van schuld en geen veroordeling. Enkel tegenover een eventueel slachtoffer geldt de betaling als onweerlegbaar vermoeden van fout. Voor de vraag of er later herhaling in de zin van art. 29, § 4 Wegverkeerswet kan worden aangenomen, is het onderscheid met een vonnis essentieel.

    Als het dossier voor de politierechtbank komt, kan de rechter een geldboete opleggen binnen de wettelijke vork. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete voor de derde graad 300 tot 5.000 euro, en bij een geldige herhaling binnen de voorwaarden van art. 29, § 4 Wegverkeerswet wordt de geldboete verdubbeld. Aan een rechterlijke veroordeling hangt ook een administratieve toeslag op grond van art. 162ter Sv.; het tarief 2026 bedraagt 30,56 euro. Daarnaast komen de bijdrage van 250 euro aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers en de gerechtskosten.

    Een bevel tot betalen kan ook een rol spelen wanneer een verkeersdossier niet via betaling van de onmiddellijke inning wordt afgerond. Bij het bevel tot betalen in verkeerszaken geldt betaling binnen dertig dagen na ontvangst en beroep bij de politierechtbank binnen dertig dagen bij verzoekschrift. Bij niet-invordering binnen drie jaar kan een schorsing van het recht tot sturen volgen van acht dagen, vijftien dagen of één maand. Dat is een afzonderlijke procedurele figuur en geen toepassing van art. 60 Sw.

    Rijverbod: wanneer speelt het bij gsm-gebruik?

    Een gsm-overtreding van de derde graad leidt niet automatisch tot een rijverbod. De derde graad is ernstig, maar de verplichte herhalingsregeling van art. 38, § 6 Wegverkeerswet geldt niet voor gewone overtredingen van de derde graad. Art. 38, § 6 bevat een limitatieve lijst en gaat bovendien over verplicht verval van het recht tot sturen, niet over de hoogte van de geldboete.

    Dat betekent niet dat het rijbewijs nooit in beeld komt. Een facultatief verval van het recht tot sturen bedraagt ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar wanneer de wet het mogelijk maakt. Bij bepaalde dossiers kan de rechter daarnaast herstelvoorwaarden opleggen op grond van art. 38, § 3 Wegverkeerswet: theoretisch examen, praktisch examen, geneeskundig onderzoek, psychologisch onderzoek en een specifieke opleiding bepaald door de Koning. Die voorwaarden zijn niet bij elke eerste veroordeling verplicht.

    Voor beginnende bestuurders moet extra worden opgelet. Art. 38, § 5 Wegverkeerswet verplicht de rechter om het verval uit te spreken wanneer hij veroordeelt wegens een overtreding met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. De rechter moet dan minstens een theoretisch of praktisch examen opleggen. Overtredingen van de tweede graad vallen erbuiten. Dat gsm-gebruik een derdegraadsovertreding is, volstaat echter niet als automatische oplossing: in elk dossier moet worden nagegaan of de concrete vervolging wettelijk tot een verval van het recht tot sturen kan leiden.

    Ook de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs moet correct worden onderscheiden van het rechterlijk verval. Bij gsm-gebruik alleen is de klassieke onmiddellijke intrekking niet de normale route zoals bij bepaalde alcohol-, drugs- of zware snelheidsdossiers. Als er echter samenloop is met gevaarlijk rijgedrag, een ongeval, vluchtmisdrijf of een andere ernstige inbreuk, kan het dossier een heel andere omvang krijgen. Dan kijkt de verdediging niet alleen naar art. 8.4 Wegcode, maar naar het volledige proces-verbaal.

    Een weekendrijverbod kan in sommige gevallen een praktische vraag zijn. Art. 38, § 2bis Wegverkeerswet laat toe dat het effectief verval wordt beperkt tot vrijdag 20 uur tot zondag 20 uur en tot feestdagen. Dat is uitgesloten wanneer de rechter een alcoholslot oplegt of het herstel afhankelijk maakt van examens, onderzoeken of een opleiding. Een weekendrijverbod kan dus niet worden gecombineerd met herstelvoorwaarden.

    Gsm-gebruik met ongeval, letsel of dodelijke afloop

    De gewone derdegraadsovertreding is één zaak; gsm-gebruik in combinatie met een zwaar verkeersongeval is iets anders. Sinds 1 september 2026 gelden in het nieuwe Strafwetboek specifieke bepalingen voor verkeersfeiten met dodelijke afloop of letsel. Doding in het verkeer valt onder art. 107 Sw. en integriteitsaantasting in het verkeer onder art. 218 Sw. Beide bepalingen vereisen een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.

    Art. 107 Sw. en art. 218 Sw. gelden bij het deelnemen aan het verkeer, niet enkel bij een klassieke botsing. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete bij art. 107 Sw. 250 tot 12.500 euro. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete bij art. 218 Sw. 250 tot 6.250 euro. Die geldboete kan volgens art. 52, § 1 Sw. zowel hoofdstraf als bijkomende straf zijn.

    Wanneer een bestuurder iemand doodt terwijl hij een gsm of ander mobiel elektronisch apparaat met een scherm vasthoudt of manipuleert, door het rode licht rijdt, meer dan 40 km/u te snel rijdt, meer dan 30 km/u te snel rijdt binnen de bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, een overtreding van de vierde graad begaat, zonder vereist rijbewijs rijdt, in staat van dronkenschap of een soortgelijke staat rijdt, of rijdt zonder het opgelegde alcoholslot, is de kwalificatie zwaarder. Dan gaat het om verzwaarde doding in het verkeer op grond van art. 107/1 Sw. Art. 107/1 Sw. is een zelfstandige strafbaarstelling, geen loutere verzwarende factor. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete bij art. 107/1 Sw. 250 tot 20.000 euro, en het feit behoort tot niveau 4.

    Bij letsel is de structuur anders. Art. 218/1 Sw. draagt het opschrift “Verzwarende factoren” en werkt binnen art. 218 Sw. Het is dus geen zelfstandig misdrijf. Gsm-gebruik kan daar een verzwarende factor zijn wanneer de voorwaarden vervuld zijn. De rechter kijkt dan naar de ernst van de integriteitsaantasting, de concrete rijcontext, het bewijs van het vasthouden of manipuleren en het oorzakelijk verband binnen het verkeersgebeuren.

    Het is belangrijk om herhaling bij gsm-gebruik niet te verwarren met deze ongevalsbepalingen. Een tweede gewone gsm-overtreding blijft in beginsel een dossier binnen art. 29 Wegverkeerswet. Een gsm-overtreding met dodelijke afloop of ernstig letsel kan daarentegen onder het nieuwe Strafwetboek vallen. Dan speelt niet de gewone herhalingsvraag op dezelfde manier, maar de specifieke kwalificatie van het verkeersfeit.

    Datum van de feiten: waarom 1 september 2026 zo belangrijk is

    Veel dossiers die nu op de politierechtbank komen, bevatten feiten uit verschillende periodes. Daarom mag men nooit alleen naar de datum van de dagvaarding, de zittingsdatum of de betaaldatum kijken. Het bedrag van de geldboete hangt af van de datum van de feiten. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 gelden de effectieve bedragen die in de huidige Wegverkeerswet zijn opgenomen.

    Voor gsm-gebruik als derdegraadsovertreding bedraagt de geldboete voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 300 tot 5.000 euro. Voor feiten van 1 februari tot en met 31 augustus 2026 golden nog de oude basisbedragen met het toen toepasselijke systeem, en de straffen waren nog geen strafniveaus. Voor feiten tot en met 31 januari 2026 lagen de effectieve bedragen anders dan in de latere periode. Een correcte verdediging begint dus met een nauwkeurige tijdslijn.

    Voor feiten van vóór 1 september 2026 past de rechter de voor de beklaagde gunstigste wet toe, zoals bepaald in art. 2, derde lid Sw. Dat kan vooral belangrijk zijn wanneer het dossier pas na 1 september 2026 wordt behandeld, maar de overtreding vroeger gebeurde. De rechter moet dan vergelijken zonder de strafwet retroactief te verzwaren. In de praktijk vraagt dit vaak een zorgvuldige analyse van dagvaarding, proces-verbaal, eerdere vonnissen en toepasselijke strafbepalingen.

    Dezelfde aandacht geldt bij herhaling. De termijn van drie jaar voor art. 29, § 4 Wegverkeerswet loopt vanaf de dag van de uitspraak van het vorige veroordelende vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Het nieuwe feit moet binnen die termijn vallen. Een bestuurder die twee keer in korte tijd wordt gecontroleerd, maar nog geen eerdere definitieve veroordeling heeft, bevindt zich juridisch niet noodzakelijk in dezelfde situatie als iemand met een definitief vonnis uit het recente verleden.

    Dit verklaart waarom algemene uitspraken op sociale media vaak misleidend zijn. “Tweede keer gsm is automatisch dubbel” is te kort door de bocht. Juister is: bij een nieuwe derdegraadsovertreding kan de geldboete worden verdubbeld wanneer aan de voorwaarden van art. 29, § 4 Wegverkeerswet is voldaan. De datum van de feiten en de status van het eerdere dossier blijven bepalend.

    Bewijs: wat moet in het dossier staan?

    Bij gsm-gebruik draait het bewijs vaak om de vaststellingen van de politie. Het proces-verbaal kan vermelden waar de bestuurder reed, welk toestel hij vasthield, hoe het toestel werd waargenomen, of er sprake was van een scherm, en of het voertuig zich in het verkeer bevond. Art. 62 Wegverkeerswet bepaalt dat processen-verbaal bewijskracht hebben zolang het tegendeel is bewezen.

    Een belangrijk punt is de uitzondering in art. 8.4 Wegcode: het verbod geldt behalve wanneer het voertuig stilstaat of geparkeerd is. Een stop in de file of voor een rood licht is geen stilstaan in de zin van art. 2.22 Wegcode. De verdediging moet dus niet alleen vragen of het toestel in de hand was, maar ook in welke verkeerssituatie de bestuurder zich bevond. Een wagen die gewoon deelneemt aan het verkeer en tijdelijk wacht aan een rood licht, is niet hetzelfde als een geparkeerd voertuig.

    Het dossier moet ook duidelijk maken dat het om een mobiel elektronisch apparaat met een scherm gaat. Een klassieke smartphone zal doorgaans geen discussie opleveren. Bij andere toestellen kan de omschrijving in het proces-verbaal belangrijker worden. Denk aan een gps-toestel, een tablet, een professioneel toestel of een apparaat dat in een houder zat. Vasthouden is niet hetzelfde als handsfree gebruiken, maar de feitelijke vaststelling blijft doorslaggevend.

    Wanneer herhaling wordt aangevoerd, komt daar een tweede bewijsluik bij. Het parket moet aantonen dat er een vorig veroordelend vonnis bestaat, dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dat de nieuwe feiten binnen drie jaar vallen te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat vonnis. De verdediging moet nagaan of het vorige feit onder de juiste categorie valt en of de wettelijke termijn correct werd berekend.

    Ook de identiteit van de bestuurder kan een rol spelen. Bij bedrijfswagens, deelwagens of gezinswagens is de houder van de kentekenplaat niet altijd de bestuurder. Art. 67bis en art. 67ter Wegverkeerswet kunnen in kentekendossiers belangrijk zijn, maar elk dossier vereist een aparte beoordeling. Een betwisting zonder concrete onderbouwing is zelden voldoende; nuttige elementen zijn bijvoorbeeld agenda’s, rittenregistratie, camerabeelden, werkplanning of verklaringen die aansluiten bij het dossier.

    Verdediging bij herhaling: welke punten controleert de advocaat?

    Een advocaat in verkeersrecht begint bij de kwalificatie. Is het feit correct omschreven als een overtreding van art. 8.4 Wegcode? Is het terecht als derde graad vervolgd? Wordt er ten onrechte verwezen naar art. 60 Sw. terwijl art. 27bis Wegverkeerswet die toepassing uitsluit? In dossiers over herhaling bij gsm-gebruik is die eerste juridische filter cruciaal.

    Vervolgens komt de bewijscontrole. Heeft de politie daadwerkelijk gezien dat de bestuurder het toestel vasthield? Stond het voertuig geparkeerd of nam het deel aan het verkeer? Is er sprake van een toestel met een scherm? Werden de vaststellingen voldoende concreet genoteerd? Zijn er foto’s, camerabeelden of bijkomende verklaringen? De politierechtbank beoordeelt niet alleen de bewering dat er een toestel was, maar ook de betrouwbaarheid en volledigheid van de vaststellingen.

    Daarna volgt de controle van de herhaling zelf. De verdediging vraagt of er een vorig veroordelend vonnis is, of dat vonnis definitief is, of de termijn van drie jaar correct loopt en of de nieuwe feiten binnen die termijn vallen. Een vroegere onmiddellijke inning of minnelijke schikking mag niet zomaar worden behandeld alsof het een definitieve veroordeling is. Dat onderscheid kan het verschil maken tussen een gewone geldboete en een verdubbelde geldboete.

    Ook de persoonlijke situatie kan relevant zijn voor de straftoemeting. De rechter kan rekening houden met beroepsmatige rijbehoeften, financiële draagkracht, gezinssituatie, afwezigheid van eerdere zware feiten, de context van de overtreding en de houding van de bestuurder. Dat betekent niet dat een resultaat kan worden beloofd. Het betekent wel dat een dossier niet herleid mag worden tot één regel op het proces-verbaal.

    Een praktische stap is het verzamelen van alle stukken vóór de zitting: proces-verbaal, uitnodiging tot betaling, eventuele minnelijke schikking, eerdere vonnissen, verzekeringsgegevens, loonfiches wanneer financiële draagkracht wordt ingeroepen, attesten over beroepsgebruik van het voertuig en relevante communicatie. Via Meer over Herhaling vindt u aanvullende uitleg over hoe herhaling in verkeerszaken wordt benaderd en waarom de exacte categorie van het vorige feit telt.

    Rechtsbijstandsverzekering en vrije keuze van advocaat

    Veel bestuurders onderschatten dat hun verzekering al een waarborg rechtsbijstand kan bevatten. In verkeerszaken betaalt de rechtsbijstandsverzekering meestal het ereloon van de advocaat. Die waarborg zit bij de meeste bestuurders al in de BA-autoverzekering of in de familiale polis. De tussenkomst hangt wel af van de polisvoorwaarden, de waarborggrenzen, eventuele uitsluitingen en de concrete aard van het geschil.

    Bij een procedure heeft de cliënt zelf het recht om zijn advocaat te kiezen. Dat volgt uit art. 156 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. De verzekeraar mag dus niet zomaar opleggen dat u enkel met een door hem gekozen jurist of advocaat werkt wanneer er een procedure loopt. De vrije keuze is belangrijk, zeker wanneer de discussie technisch wordt, zoals bij herhaling, strafniveaus, eerdere vonnissen en de verhouding tussen de Wegverkeerswet en het nieuwe Strafwetboek.

    Het is nuttig om de polis snel op te vragen en te controleren of verkeersstrafzaken gedekt zijn. Dat is geen dienst die de boete wegneemt, maar een mogelijke financiering van de verdediging. Op de pagina Gratis advocaat vindt u informatie over rechtsbijstand en tussenkomstmogelijkheden; de concrete dekking blijft altijd afhankelijk van uw polis en van de beslissing van de verzekeraar binnen de contractuele voorwaarden.

    Ons kantoor in Antwerpen behandelt regelmatig verkeersdossiers waarin een ogenschijnlijk eenvoudige gsm-vaststelling uitgroeit tot een discussie over herhaling, rijverbod, eerdere vonnissen of de juiste datum van de feiten. Een advocaat kijkt uw dossier kort na en neemt contact met u op om te bespreken of en hoe wij u kunnen bijstaan. Daarbij wordt geen uitkomst beloofd, maar wel nagegaan welke juridische punten in uw concrete dossier verdedigbaar zijn.

    Ook wie buiten Antwerpen woont, kan met een Belgische verkeerszaak geconfronteerd worden in een politierechtbank elders in het land. De regels over art. 8.4 Wegcode, art. 29 Wegverkeerswet, art. 27bis Wegverkeerswet en art. 60 Sw. zijn federale regels. De concrete toepassing blijft afhankelijk van het dossier, de bewijselementen en de procedurestap waarin de zaak zich bevindt.

    Veelgemaakte misverstanden over gsm en herhaling

    Het eerste misverstand is dat een nieuwe gsm-overtreding in België via een administratieve score op het rijbewijs zou worden afgerekend. Dat systeem bestaat hier niet. De gevolgen liggen in de geldboete, mogelijke procedure voor de politierechtbank, eventuele toepassing van de herhalingsregeling, en in bepaalde omstandigheden een rijverbod of herstelvoorwaarden.

    Het tweede misverstand is dat art. 60 Sw. automatisch elke verkeersherhaling verzwaart. Voor de Wegverkeerswet geldt die route niet. De bijzondere verkeersregels blijven beslissend. Voor gsm-gebruik als derdegraadsovertreding betekent dit dat art. 29 Wegverkeerswet centraal staat. De algemene herhalingsbepaling van het Strafwetboek mag niet worden gebruikt om bovenop die regeling een extra strafverzwaring te bouwen.

    Het derde misverstand is dat een stop aan een rood licht of in de file veilig is om de telefoon vast te nemen. Het gsm-verbod geldt behalve wanneer het voertuig stilstaat of geparkeerd is. Een voertuig dat tijdelijk wacht in het verkeer, bijvoorbeeld aan een rood licht, is niet stilstaan in de zin van art. 2.22 Wegcode. Het argument “ik reed niet vooruit” volstaat daarom niet automatisch.

    Het vierde misverstand is dat elke herhaling een verplicht rijverbod met examens betekent. Art. 38, § 6 Wegverkeerswet geldt voor een limitatieve lijst en gewone derdegraadsovertredingen vallen daar niet onder. De rechter kan in bepaalde gevallen wel een verval overwegen of opleggen wanneer een andere bepaling dat toelaat, en kan herstelvoorwaarden opleggen op grond van art. 38, § 3 Wegverkeerswet. Dat is iets anders dan een automatische toepassing van de herhalingsregeling voor zware feiten.

    Het vijfde misverstand is dat een minnelijke schikking hetzelfde is als een veroordeling. Dat klopt niet. Een minnelijke schikking is geen erkenning van schuld en geen veroordeling. Voor herhaling bij art. 29, § 4 Wegverkeerswet is een vorig veroordelend vonnis vereist dat in kracht van gewijsde is gegaan. Daarom moet het verleden van de bestuurder juridisch precies worden ontleed.

    Praktische voorbeelden uit gsm-dossiers

    Voorbeeld één: een bestuurder betaalt in maart 2026 een onmiddellijke inning voor gsm-gebruik en wordt in oktober 2026 opnieuw betrapt. Voor de nieuwe feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete voor een derdegraadsovertreding 300 tot 5.000 euro als het dossier voor de rechter komt. De eerdere onmiddellijke inning is geen veroordelend vonnis. Op basis daarvan alleen kan de specifieke herhaling van art. 29, § 4 Wegverkeerswet niet zomaar worden aangenomen.

    Voorbeeld twee: een bestuurder werd in november 2025 door de politierechtbank veroordeeld voor een derdegraadsovertreding, het vonnis is definitief, en hij wordt in oktober 2026 opnieuw vervolgd voor het vasthouden van een smartphone tijdens het rijden. Dan moet worden nagegaan of de driejarige termijn correct loopt vanaf de dag van de uitspraak van het eerdere vonnis en of dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Als de voorwaarden vervuld zijn, kan de geldboete voor de nieuwe derdegraadsovertreding worden verdubbeld.

    Voorbeeld drie: een bestuurder houdt een telefoon vast en veroorzaakt een ongeval met gewonden. Dan is het dossier niet langer beperkt tot de derdegraadsovertreding. De vraag kan rijzen of art. 218 Sw. over integriteitsaantasting in het verkeer speelt, en of art. 218/1 Sw. als verzwarende factor relevant is. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete bij art. 218 Sw. 250 tot 6.250 euro. De rechter onderzoekt dan de ernst van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en de concrete schade.

    Voorbeeld vier: een bestuurder manipuleert een smartphone, rijdt door het rode licht en veroorzaakt een dodelijk verkeersgebeuren. Rood licht negeren is eveneens een derdegraadsovertreding. Bij doding terwijl de bestuurder een gsm of ander scherm vasthoudt of manipuleert of door het rode licht rijdt, is art. 107/1 Sw. relevant als zelfstandige strafbaarstelling. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete bij art. 107/1 Sw. 250 tot 20.000 euro, naast het strafniveau dat voor die bepaling geldt.

    Voorbeeld vijf: een jonge bestuurder met minder dan twee jaar rijbewijs B wordt vervolgd voor gsm-gebruik. Dan moet art. 38, § 5 Wegverkeerswet worden bekeken als de overtreding met een motorvoertuig tot een verval van het recht tot sturen kan leiden. De rechter moet dan het verval uitspreken en minstens een theoretisch of praktisch examen opleggen. De precieze toepassing hangt af van de kwalificatie en de wettelijke mogelijkheid tot verval in het dossier.

    Verjaring, rechtsmiddelen en procedurele termijnen

    Voor misdrijven uit de Wegverkeerswet en haar uitvoeringsbesluiten geldt een verjaringstermijn van drie jaar vanaf de dag waarop de overtreding is begaan. Die termijn staat in art. 68 Wegverkeerswet. De stuiting bestaat niet meer. De verjaringstermijn loopt niet meer vanaf de dag van de aanhangigmaking bij het vonnisgerecht, terwijl schorsing afzonderlijk blijft bestaan.

    Wie bij verstek wordt veroordeeld, moet de termijn voor verzet bewaken. Verzet moet binnen vijftien dagen worden ingesteld. Hoger beroep moet binnen dertig dagen worden ingesteld. Het openbaar ministerie krijgt tien bijkomende dagen, maar enkel wanneer de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij eerst zelf beroep instelde. Deze termijnen zijn strikt en staan los van de betalingstermijnen bij onmiddellijke inning of bevel tot betalen.

    Bij een bevel tot betalen in verkeerszaken geldt betaling binnen dertig dagen na ontvangst en beroep bij de politierechtbank binnen dertig dagen bij verzoekschrift. Bij een onmiddellijke inning met overschrijving geldt betaling binnen tien dagen vanaf de afgifte of verzending van het verklarend document. Bij een minnelijke schikking bepaalt de procureur de termijn, met een minimum van vijftien dagen en een maximum van drie maanden.

    Een procedurele fout betekent niet automatisch dat elke sanctie verdwijnt. Wel kan een advocaat nagaan of termijnen, kennisgevingen, kwalificaties en bewijsstukken correct zijn. In gsm-dossiers met herhaling is vooral de tijdslijn belangrijk: datum van de nieuwe feiten, datum van het vorige vonnis, datum waarop dat vonnis definitief werd, datum van verzending van het proces-verbaal en datum van eventuele uitnodigingen tot betaling.

    Ook bij meerdere feiten in één dossier moet worden opgelet. Een gsm-overtreding kan samen voorkomen met snelheid, rood licht, gordel, alcohol of vluchtmisdrijf. Elk van die feiten heeft eigen regels. Snelheidsovertredingen worden niet in graden ingedeeld, maar afzonderlijk behandeld via art. 29, § 3 Wegverkeerswet. Rood licht negeren is derde graad. Die combinaties kunnen bepalen of een onmiddellijke inning uitgesloten is en of de zaak sneller bij het parket of de politierechtbank terechtkomt.

    Lees ook

  1. [GSM achter het stuur: onmiddellijke inning en gevolgen](/blog/gsm-achter-het-stuur-onmiddellijke-inning-191-euro)
  2. [Politierechter bij herhaling: typische strafmaat](/blog/politierechter-herhaling-strafmaat)
  3. [GSM en ongeval: zware aansprakelijkheid in België](/blog/gsm-ongeval-gewonden-zware-aansprakelijkheid)
  4. Conclusie: herhaling bij gsm vraagt precisie

    Herhaling bij gsm-gebruik is juridisch minder eenvoudig dan de term doet vermoeden. Het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat met een scherm is een derdegraadsovertreding op grond van art. 8.4 Wegcode. Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 bedraagt de geldboete voor een derdegraadsovertreding 300 tot 5.000 euro. Het gaat om een niveau 1-straf, zonder gevangenisstraf.

    De kern is dat art. 60 Sw. niet van toepassing is op de Wegverkeerswet. Een gewone gsm-overtreding wordt dus niet via art. 60 Sw. verzwaard. De relevante route is de eigen herhalingsregeling van art. 29, § 4 Wegverkeerswet: bij herhaling binnen drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de geldboete verdubbeld.

    Daarom moet elk dossier concreet worden gecontroleerd. Was er vroeger een vonnis of enkel een onmiddellijke inning? Is het vorige vonnis definitief? Vallen de nieuwe feiten binnen de driejarige termijn? Is het toestel correct omschreven? Nam het voertuig deel aan het verkeer of was het werkelijk geparkeerd? Is er samenloop met rood licht, snelheid, alcohol, drugs, letsel of een dodelijke afloop? Elk antwoord kan de juridische beoordeling wijzigen.

    Bij zware gevolgen, zoals letsel of overlijden, verschuift het dossier mogelijk naar het nieuwe Strafwetboek. Art. 218 Sw. en art. 218/1 Sw. spelen bij integriteitsaantasting in het verkeer, terwijl art. 107/1 Sw. een zelfstandige strafbaarstelling is voor verzwaarde doding in het verkeer, onder meer wanneer de bestuurder een gsm of ander scherm vasthoudt of manipuleert, door het rode licht rijdt, zwaar te snel rijdt, een overtreding van de vierde graad begaat, zonder vereist rijbewijs rijdt, in staat van dronkenschap rijdt of zonder opgelegd alcoholslot rijdt. Dat is een andere discussie dan een gewone herhaling van gsm-gebruik.

    Bent u gedagvaard of kreeg u een voorstel tot betaling na gsm-gebruik achter het stuur, verzamel dan alle stukken: proces-verbaal, eerdere beslissingen, betalingsvoorstellen, verzekeringspolis en eventuele bewijsstukken over wie reed en wat er precies gebeurde. Een advocaat kijkt uw dossier kort na en neemt contact met u op om te bespreken of en hoe wij u kunnen bijstaan. Zeker bij herhaling is een juiste kwalificatie vaak het verschil tussen een standaarddossier en een aanzienlijk zwaardere procedure.

    Veelgestelde vragen

    Uw autoverzekering betaalt meestal uw advocaat

    • De rechtsbijstandswaarborg zit bij de meeste bestuurders al in de BA-autoverzekering of de familiale polis, vaak zonder dat zij het beseffen.
    • Anders dan in de meeste andere rechtstakken is dat in verkeerszaken eerder regel dan uitzondering.
    • Loopt er een procedure, dan kiest u zélf uw advocaat: uw verzekeraar mag u er geen opleggen (art. 156 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen).
    • Wij dienen de aanvraag in bij uw verzekeraar en rekenen rechtstreeks met hem af. Komt uw polis tussen, dan betaalt u zelf niets.

    Of uw polis tussenkomt, hangt af van uw voorwaarden — denk aan een waarborgplafond, een wachttijd of een uitsluiting. Wij kijken uw polis gratis na en zeggen u eerlijk waar u aan toe bent vóór er iets opstart.

    Laat uw polis nakijken

    Hulp nodig?

    Bij verkeerszaken betaalt de rechtsbijstand in uw autoverzekering meestal het ereloon van uw advocaat — en u kiest zelf wie u verdedigt.

    Lees onze volledige gids over herhaling

    Gerelateerde artikelen

    Herhaling

    Herhaling alcohol 2026 verzwaarde straffen

    8 okt 2026 · 24 min

    Herhaling

    Herhaling verkeer: Gevolgen & Verzekeringsweigering

    26 sep 2026 · 24 min

    Herhaling

    Herhaling Minderjarige Bestuurders: Impact Politierechter

    25 sep 2026 · 20 min

    Andere overtredingen